Biddinghuizer colfschip

In de 15e tot de 17e eeuw werden de houten kolfclub aan de onderzijde verzwaard met een metalen “slof”. De slof kon gegoten worden uit lood of uit een mengsel van lood en tin.

Meer luxe sloffen werden geslagen uit een koperlegering. Deze verzwaring hield gelijke tred met de ontwikkeling van de hardere gevulde leren ballen. Men kon nu harder slaan, waardoor de slagafstand en daarmee ook het speelveld werden vergroot.

Elke speler had niet alleen zijn eigen kolfstok, veelal herkenbaar gemaakt met gekleurde windsels en merktekens. De sloffen werden vaak op de bolle zijde voorzien van merktekens zoals kruisen, lelies, sterren, lijnen of zigzagranden. Ook merken van maker en de stad waar de slok was gemaakt, zijn gevonden.

Er zijn twee type sloffen te onderscheiden. In de 16e eeuw was het bovenvlak gebogen, terwijl men in de 17é eeuw een driehoekige doorsnede zag ontstaan.

Alle sloffen hebbben een vlakke bodem met een licht gebogen rugen een driehoekige punt met een licht gebogen neus. De slagzijde is vlak en de andere zijde is gebogen.